Gelukkig de vrouw die haar eigen weg gaat. Ervaringen tijdens de expo “bij ons in de Biblebelt”.

Alleen omdat ik wilde zijn en worden
de vrouw, zie mij, de wetende die kiest
om vrucht te dragen in de donkere tuin
de ene vrouw van wie mijn Schepper heet,
heb ik geleefd.

Nee, laster is het niet als ik dit zeg:
ik ben de vrouw van God, de enige
ben ik, ik ben als jij mijn zuster, zoals jij
mijn broer: de vrouw van God, de man, de mens
van God de enige
ik ben
ik ben ben ik.

(Psalmen van een vrouw – Maria de Groot)

Mede dankzij het inspirerende blog van Marina Marijnen http://www.uitdekunstmarina.nl bezochten mijn broer en ik de tentoonstelling “bij ons in de Biblebelt”, nog te zien in Museum Catharijneconvent te Utrecht tot en met 22 september 2019.

In het trappenhuis van het museum hangt een enorme poster, waarop alle plaatsnamen vermeld staan die deel uit maken van die zogenaamde “Biblebelt”. Urk staat op nummer één.

IMG_20190806_111510
Mijn broer en ik zijn op Urk opgegroeid in een liefdevolle, bevindelijk Christelijk Gereformeerde familie. Maar daar waar ik op de basisschool al de nodige vraagtekens begon te zetten, omarmde mijn tien jaar oudere broer van harte het “geloof der vaderen”. Zijn kinderen bezochten alle drie een reformatorische school en ook was hij jarenlang ouderling. Desondanks voelen we ons innig verbonden en bevragen elkaar met oprechte interesse naar persoonlijke innerlijke waarheid en beleving.
Immers, zoals Dorothee Sölle schrijft in haar boek “Mystiek en Verzet”: “de ziel kan niet zonder de verwondering, het steeds weer hernieuwde vrij worden van gewoontes, inzichten, overtuigingen, die zich als vetlagen op ons vastzetten en die maken dat we niet meer aangeraakt kunnen worden en ongevoelig”.

IMG_20190806_112015

In de eerste zaal werden deze woorden meteen al zichtbare werkelijkheid door een wandplaat met daarop een eigentijdse versie van het in reformatorische kringen zo vertrouwde thema van de brede en de smalle weg. Fokke de Vries, een Urker kunstenaar, is de maker ervan. Mensen worden erop via roltrappen naar de hel gevoerd. De leeuw op de weg naar de hemel is nu een Tyrannosaurus rex geworden. Want verwondering of niet, als je gaat geloven dat de wereld al veel meer dan 6000 jaar geleden geschapen is, sterker nog, dat er 225 miljoen jaar geleden al dino’s rondliepen, dan bevindt je je  meteen samen met de dinosauriërs op de brede weg.

IMG_20190806_112603

Beter dus om van de expositie een pelgrimstocht maken. Mijn broer die daarbij de traditionele versie uit John Bunyan’s “De Pelgrimsreis” volgt en ik die meer geïnspireerd raak door het “drievoudige pad” van Maria de Groot. Geestig genoeg zijn we allebei ook daadwerkelijk pelgrim. Mijn broer een hardcore exemplaar met duizenden kilometers in de benen. Zowel van de Franciscusroute in Italië als dwars door de Pyreneeën op weg naar Santiago de Compostella en nog een stapje verder naar de Finistère, mediterend op Efese 1. Zelf heb ik ter afsluiting van mijn veertig jaar lange werkzame leven in 2016 de “walk of wisdom” gelopen. Een tocht van 140 kilometer rondom Nijmegen.
In datzelfde jaar verscheen ook het boek “het drievoudige pad” van theologe/neerlandica Maria de Groot. Het door haar weergegeven drievoudige pad staat voor de drie te doorlopen ontwikkelingsstadia van leerling, pelgrim en sterveling. (Niet persé in die volgorde). Dit pad zal leiden naar innerlijke omgang met de Eeuwige (God) en een meer rechtvaardige samenleving.
Haar betekenisvolle teksten resoneerden ook tijdens deze expositie over de Biblebelt steeds weer diep binnenin mij:
“Pelgrim zijn hoort bij ons. Wij zijn pelgrim. Het woord betekent vreemdeling, buitenlander. (Latijn: peregrinus, aan het land voorbij)
En: “Spiegel Gods zijn wij, een transparante beeltenis. Samenvallen met onszelf, dat is ons leerdoel. Om die gaafheid te bereiken is zuivering nodig, vanaf het begin van ons zijn hier op aarde. Niet omdat wij “in zonde ontvangen en geboren” zouden zijn, maar omdat de wereld waarin wij terecht komen, evenals wij, onvoltooid is en onvolmaakt.
Wij vallen in handen van anderen, die ons nog niet kennen en ons met hun eigen verwachtingen vullen. Wie herkent de beeltenis Gods in ons? Wij weten van niets. In het huis van geboorte begint de weg naar onze oorsprong, terwijl wij voorbereid worden op de toekomst”.
En: “Zoals de zee schelpen geeft als teken van leven, zo geeft de Eeuwige schittervonken als teken van duurzaam levenslicht. Wat kan het anders zijn dan Uw zegen? Uw levenwekkende, vonkende, vurige zegen, dat is de goedheid waaraan U gekend wordt. Ben ik tekort geschoten, U zegent mijn ommekeer. Ben ik verdwaald, U zegent mijn terugkeer. Weet ik mij verloren, u zegent mijn inkeer. Uw zegen lokt mij naar binnen in Uw tent, in het luchtige huis van uw liefde. Ik krijg Uw vertrouwen en ik ga naar buiten onder Uw zegen”.
En: “Een sterveling is een mens die op weg is naar de vreugde, niet naar de ondergang. Een sterveling is een loelav van vreugde, een palmtak waarmee gezwaaid wordt op het Loofhuttenfeest: zoals boven, zo beneden. Naar vier windstreken wuift de vreugde van wie bewust pelgrim blijven. Niet naar de ondergang leidt het pad van de sterveling, al lijkt dat wel zo in de vaak verduisterde wereld. Ondergang wordt bedacht door mensen, vreugde is de creatie van God. Wij zijn vreugde en gaan naar de vreugde. Wanneer wij onszelf in rouwkleren zien, een treurwilg aan donker water, wanneer wij de lichtgevende gelijkenis met de Eeuwige niet meer in onszelf kunnen herkennen, een negatief zelfbeeld ontwikkelen, dat steeds meer neigt naar de nacht, dan komt ondergang in zicht”.

IMG_20190806_114732

De innerlijke vreugde die van de teksten van Maria de Groot afspat wordt naar mijn beleving schitterend zichtbaar gemaakt in het kunstwerk over het einde van de pelgrimsreis dat Bert Bosch in 2015 maakte en ook op de expo te zien is. Niet op zondag overigens.

Zegen.
Mag deze morgen gezegend zijn
met zijn wondere licht
dat van verre komt
en dichtbij wil wonen.
Mogen onze harten gezegend zijn
Als herberg van licht.
Mag ik jou vriend noemen
en noem jij mij vriendin
zodat wij samen de weg van het leven
vinden en gaan.
Mag ieder mens gezegend zijn
met dankbaarheid
ondanks de pijn en de duisternis
van de dag die begint.

(het drievoudige pad – Maria de Groot)

Dat wondere licht, dat gevoel van gezegend te zijn en een herberg van licht, ken ik al vanaf mijn kinderjaren, toen we nog op Urk woonden.
Maar toen ik tien was verhuisden we in verband met het werk van mijn vader naar Emmeloord, waar we lid werden van de Gereformeerde Gemeente. Voor mij was dat een enorme cultuurschok en betekende een plotselinge verduistering van mijn innerlijk licht. Het was daar zo anders dan ik gewend was! Wij hadden op Urk een heel goed contact met onze predikant, ds. D. Slagboom. Mijn beabe (Urker woord voor grootvader) een zachtaardige, bekeerde man, was voordat hij overleed ouderling geweest. Professor Van der Schuit sliep vaak bij mijn grootouders (i.v.m. de zondagsrust) als hij op Urk kwam preken en na de dood van mijn beabe bracht hij mijn bessien (Urker woord voor grootmoeder) vaak een bezoek als hij op Urk was.

Aan één van die bezoeken bewaar ik een levendige herinnering: ik was een jaar of zeven en speelde op een mooie zomerdag met wat kinderen uit de buurt op straat toen we ineens een Japans echtpaar tegen kwamen. Geen van allen hadden we ooit Japanse mensen gezien. Ook geen foto’s. Er was destijds nog geen bibliotheek op Urk en wij hadden uiteraard geen t.v. Ik vond vooral de vrouw adembenemend mooi en lief. Thuisgekomen wilde ik van mijn broer weten naar welke kerk ze gaan in Japan. Hij vertelde me dat het boeddhisten waren en dat die niet geloven in een God. In die tijd worstelde ik heel erg met de vraag wat nou precies de “waarheid” was waarover op Urk in gezelschappen werd gesproken en wie wel of niet in de hemel zouden komen. Zelf was ik er van overtuigd dat er geen hel bestaat en dat iedereen in de hemel komt, maar ik leerde al snel dat dergelijke gedachten niet op prijs werden gesteld.
Maar we zongen op school wel: “Kind’ren van één Vader, reikt elkaar de hand, waar wij mogen wonen, in wat streek of land, hoe wij mogen spreken, in wat tong of taal, kind’ren van één vader zijn wij allemaal”. Hoe was het dan mogelijk dat we allemaal kinderen zijn van één Vader, maar dat je alleen maar in de hemel kon komen als je de enige echte “waarheid” kende. Ik wilde boven alles te weten komen wat die “waarheid” dan precies was. En hoe je wist dat je bekeerd was. Maar niemand kon of wilde me daar een bevredigend antwoord op geven.
Geruime tijd later was ik bij bessien toen ineens Professor Van der Schuit binnen stapte. Zijn vrouw was niet lang daarvoor overleden en bessien had hem een condoleancebrief geschreven. Daar wilde hij haar voor bedanken. Bessien had mij wel eens verteld dat Professor Van der Schuit een zoon had gehad die Jan heette en in de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp was omgekomen. Dus ik zag meteen mijn kans schoon en ging met hem in gesprek over boeddhisten en of zij in de hemel komen ja of nee. Hij bleek daar veel over te weten en dat vind ik achteraf gezien echt heel bijzonder. Want de meeste “zware” (orthodox-protestante) dominees houden zich daar verre van. Pas toen ik volwassen was kwam ik er achter dat Professor Van Der Schuit zelfs diepgaand onderzoek heeft gedaan naar mystiek, bevindelijkheid, psychologie, het onderbewuste, maar ook naar het hindoeïsme en boeddhisme, reïncarnatie en karma.
Ik weet niet meer wat hij mij daar destijds over verteld heeft, maar wel dat ik nog nooit zo’n interessante, erudiete en aantrekkelijke man had ontmoet. Hij had een prachtige stem en ook dezelfde zoete geur van heiligheid om zich heen hangen als mijn beabe had. Zo’n grootvader wilde ik wel! Dus op een gegeven moment zei ik: “Dominee, uw vrouw is gestorven en bessien is ook al jaren alleen. Kunt u niet met bessien trouwen?” Wat hij antwoordde weet ik ook niet meer, maar wel dat hij opvallend respectvol was naar zo’n klein meisje als ik toen was.

Via mijn innerlijke filmbeelden kwamen we op de expo bij een slideshow terecht waarop allerlei foto’s van kerkgebouwen werden vertoond. Ook die van verschillende kerken van zwaar orthodoxe gezindte op Urk. Er hingen een aantal koptelefoons bij en nietsvermoedend zette ik me te luisteren. Oei, dat had ik even niet aan zien komen: het bleek de stem te zijn van een Oud-Gereformeerde, jammerende dominee en ik werd meteen vijftig jaar terug in de tijd gekatapulteerd. Sommige zware dominees (in mindere mate ook ouderlingen) zetten namelijk zodra ze een voet op de kansel zetten een zeer typische stem op. Om dit zelf te ervaren kun je op YouTube als zoekopdracht bijvoorbeeld ds. Zwartbol Hooglied 2 GBS deel 1/3 invoeren.
Zelf maakte ik pas in de Gereformeerde Gemeente te Emmeloord voor het eerst kennis met dit fenomeen en ik vond het meteen al zeer huiveringwekkend en angstaanjagend. Er kwam daar ook vaak een dominee preken, ds. Honkoop genaamd, die steevast heel hard begon te huilen halverwege de preek, tegelijkertijd keihard ritmisch van binnen uit tegen de kansel trappend.

Hart, ziel en lichaampje verzetten zich meteen hevig tegen een dergelijke “verkrachting” van mijn gehoor, maar ik slaagde er niet in om aan mijn ouders duidelijk te maken hoe vreselijk dit voor mij was. Dus probeerde ik me in eerste instantie zoveel mogelijk af te sluiten door met watjes in mijn oren naar de kerk te gaan. Dat viel niet op, want ik had een dikke bos lang krullend haar en droeg daarbij ook nog een hoedje. Bovendien kocht ik een zilveren ring met een Keltische knoop. Die haalde ik met één beweging uit elkaar en had vervolgens twee uur nodig om ‘m weer in elkaar gepast te krijgen. Precies de totale duur van de kerkdienst. Op een gegeven moment had ik mezelf zo getraind, dat ik me volledig kon terugtrekken in mijn innerlijke kamer en alle ongewenste geluiden om me heen skipte. Zodoende hoefde ik ook niet aan te horen dat ik slechts een stofje was aan de weegschaal en een brandhoutje voor de hel.

Tot begin 1969. Ik had destijds voor mijn dertiende verjaardag een poëziealbum gekregen. Omdat mijn bessien ons oudste familielid was besloot ik dat zij er als eerste in zou mogen schrijven. Na een week ging ik met mijn vader naar haar toe en vol verwachting las ik wat ze me toe wenste:

“Van je bessien.
’t Gedichtsel van mijn hart is boos
In zonde ben ik reeds geboren
Tot kwaad genegen zorgeloos
Ja van natuur één kind van toorn.
Bewaar mij in mijn vroege jeugd
O Heer, voor al wat mij kan schaden
Geef dat ik in gena en deugt
Opwas en ga uw heil’ge paden”.

Het was alsof een ijskoude hand mijn hart vastgreep en ik raakte volledig overstuur door deze (in mijn beleving) harde, afwijzende woorden. Zo erg zelfs, dat ik begon over te geven en huilend uitschreeuwde dat ik geen kind van toorn was, maar een kind van de Allerhoogste.
Mijn heftige reactie had nog dieper liggende oorzaken, die ineens allemaal tot ontploffing kwamen. Allereerst de rouw om beabe, die zo’n versje vast en zeker nooit in mijn poëziealbum zou schrijven. Dan mijn voortdurende heimwee naar Urk. En een jaar eerder, toen ik van de basisschool kwam, had iedereen een bijbeltje gekregen waar de “bovenmeester” als afscheid een persoonlijke Bijbeltekst in had geschreven. Bij mij was dat Psalm 145:20: “De Heere bewaart al degenen die Hem liefhebben, maar Hij verdelgt alle goddelozen.” Hij vond mijn manier van denken namelijk goddeloos en liet me dat weten ook. Mijn oprechte vragen beschouwde hij voornamelijk als kritiek op hem. En dat was niet eens op een reformatorische school.

Ook met onze nieuwe dominee lag ik meteen in de clinch. Al na één keer wilde ik niet meer naar catechisatie omdat we als meisjes zijnde ineens verplicht werden om niet alleen in de kerk maar ook daar een hoed te dragen en ik vond dat grote onzin. Vroeg hem (omdat ik me daar serieus zorgen over maakte): “Hebben wij dan al die keren dat onze ouderling catechisatie gaf en we geen hoed op hadden gezondigd?” De arme man. In plaats van te antwoorden werd hij boos. Toen wist ik al genoeg, al was ik pas 13.

Tussen de vrome, zuinige, door de watersnoodramp van 1953 getraumatiseerde en naar de Noordoostpolder verplantte Zeeuwen in die Gereformeerde Gemeente vormden wij als spontane, hartelijke Urkers vol humor sowieso nogal een a-typisch gezin.
Deze nieuwe predikant was via de weg van “lerend ouderling” uiteindelijk als dominee bevestigd. Van een heel ander kaliber dus dan de academisch gevormde dominees die wij op Urk gewend waren en bij wie sprake was van een groot wederzijds respect.

Ik voorvoelde toen al dat er strubbelingen op komst waren in de kerkenraad met deze man en die werden mettertijd helaas bewaarheid. Hij kon er blijkbaar ook niet goed tegen dat hij geen vat op ons gezin kreeg en kon het niet laten om regelmatig vanaf de kansel een sneer naar ons uit te delen: “Ja, en dan heb je van die broeders die achter hun orgel luidkeels en zonder schaamte liederen van Johannes de Heer zingen.” Mijn vader was de enige die daarvoor in aanmerking kwam, want liederen van Johannes de Heer zingen was in die gemeente not done maar mijn vader deed dat dagelijks en vol overgave: “Strooooooomen van Zeeeeeeegen…..”
Daarbij was het opzetten van een kerstboom ineens zondig en heidens, al hebben mijn vader en moeder zich daar gelukkig nooit wat van aangetrokken.
Maar dat alles kwam er wel intens en met grote heftigheid uit in het huisje van bessien.

Het gedichtje van bessien kreeg door het voorgaande voor mij dus een extra negatieve lading en ik vond het vreselijk dat ook mijn eigen bessien me blijkbaar zag als een kind van toorn. Een goddeloos kind die nu al, op zo jonge leeftijd, van het heilige pad, de smalle weg was afgedwaald en dus verdelgt moest worden.
In de auto terug naar Emmeloord smeekte mijn vader om het allemaal niet zo zwaar en persoonlijk te nemen en dat dit waarschijnlijk het enige gedichtje was dat zij kende.
Ik herinner me van die rit verder nog haarscherp dat ik van bessien een grote, sappige, al door haar gepelde navelsinaasappel mee had gekregen voor onderweg en hoe mijn tranen en snot van het huilen daar tijdens de terugreis in de auto zo overvloedig overheen dropen dat ie oneetbaar werd.
Tegelijkertijd was mijn vader zichtbaar aangeslagen, omdat ik normaal gesproken een heel rustig, autonoom meisje was dat zelden of nooit huilde. Nooit eerder had ik me zo vurig en expliciet uitgelaten over mijn enorme weerzin tegen die dominee en de Gereformeerde Gemeentekerk in Emmeloord. Voor mij voelde het reformatorische gedachtengoed zoals daar gepredikt als pure heiligheidsschennis.

Thuisgekomen zei mijn vader meteen: “Geef maar hier je poëziealbum, ik weet een heel mooi versje voor jou.” En met zijn zwierige handschrift schreef hij:
“Heer, ik hoor van rijken zegen
Dien gij uitstort keer op keer.
Laat ook van dien milden regen
Dropp’len vallen op mij neer.
Ook op mij, ook op mij.
Dropp’len vallen ook op mij.”

Terwijl de herinneringen nog over elkaar heen buitelden liet mijn broer me vervolgens op zijn smartphone een filmpje zien van een jonge man die met eenzelfde stemgeluid jammerde: “dit middaguur willen we u bepalen bij hetgeen we net gezongen hebben: “’k zag twee beren broodjes smeren. Ooooooo, het was een wonder. ’t Was een wooooooooooonder boooooooooven wonder. Dat die beren smeeeeeeeeeren konden. Hie hie hie ha ha ha. ‘k Stond erbij en ik keeeeeeek ernaar”.
Dat is de tekst gemeente en er valt ons een paar dingen op: Wie?????? Zag??????? Er staat namelijk: ik. En bij die ik zullen we stil staan. We zullen zien wie die ik is en hoe die van die oude ik een nieuwe ik mag ontvangen. Want ooooooooo gemeente, van nature zien we geen beren die smeren konden. Want smeeeeeeeeeeeren moet je leeeeeeeeeeeeren! Een bovennatuurlijk wonder is daar voor nodig, om een beer aan het smeeeeeeeeeren te krijgen. En dat is de waarheid. De eeeeeenige zuivere waarheid die alhier nog verkondigd wordt…….”

Voor een leek lijkt dit op een smakeloze parodie, maar mijn broer en ik herkenden meteen een imitatie van “de tale Kanaäns.” Franca Treur schreef er over in haar debuutroman “dorsvloer vol confetti”. Dit boek beschrijft de ervaringen van Katelijne. Een slim, sensitief meisje dat opgroeit in een Zeeuws bevindelijk gereformeerd milieu. De oma van Katelijne is een bekeerde vrouw en zij gebruikt “de tale Kanaäns” om haar spirituele, bevindelijke ervaringen in uit te drukken. Er wordt wel gezegd dat je aan de tale Kanaäns kunt horen of iemand bekeerd is of niet. De oma van Katelijne, Ka, is in gesprek met oma’s vriendin Kee. Samenspraak tussen Ka en Kee: “Heb je nog zoete ogenblikken mogen smaken in ’t leste?” vraagt oma Ka aan Kee. (…) “Daarom had ik je gebeld, Ka. Ik dacht: “ik moet Ka eens bellen, want die kent er ook iets van.” Oma Ka zegt bescheiden dat ze maar “zo’n kleintje in de genade” is. “Jij? Zeg dat toch niet Ka. Jij hebt het beleefd. Jij bent gerechtvaardigd in de vierschaar des consciëntie. Dat maakt niet elk kind van God mee.”
“Ja, kun je het je voorstellen? Ik, de grootste der zondaren, met mijn doodvonnis al over me heen gesproken. Ach, toen de schuldovernemende Borg tussen mij en de Vader ging staan. Toen ik werd vrijgesproken van schuld en straf.”(…) “O, ik wens je het zo toe dat je het eens beleven mag”.

Bram Moerland, filosoof en auteur van een aantal toonaangevende boeken over de Katharen en de Gnosis, maar opgegroeid in de orthodoxe, Reformatorische traditie, vertelde eens dat hij als jongetje een gesprek bijwoonde van zijn moeder en haar vriendin. Zij leken tegen elkaar op te bieden wie van hen het zondigst was. Het ging er zelfs zo heftig aan toe dat Bram een zekere geilheid meende te bespeuren in de litanie van zondigheid en kleinheid die beide dames tentoon spreidden.

Ook onze bessien kende die taal. Op haar tafel lag steevast de prekenbundel “Late Druiven” van Ds. Rustige. Dit waren volgens Ds. Rustige “Sermoenen uit Niemandsland”, dat wil zeggen preekbeschouwingen vanuit het randgebied tussen de kerkelijke fronten te Hierden.
Mijn broer wist hier over te vertellen dat ds. Rustige een voormalig Christelijk  Gereformeerd predikant was, maar vanwege diverse moeilijkheden buiten het kerkverband terecht gekomen. Beabe en bessien kenden Ds. Rustige nog van vroeger en hadden veel sympathie voor hem vanwege zijn preektrant en zeer persoonlijke benadering.
Later is van hem er ook nog een serie uitgekomen “Overgeschoten Brokken”. Van die serie had bessien ook een aantal delen. Rustige was een bijzondere predikant. Een figuur die nooit geëvenaard is. Volgens mijn broer sprak hij veel mensen aan met zijn bevindelijke prediking. Blijkbaar vonden velen hun eigen innerlijke Godservaringen terug in zijn preken. Zo ook bessien.
Hij besluit bijvoorbeeld de inleiding op de prekenbundel met de volgende woorden: “Vaarwel. Ik ben te natuurlijk om een geestelijk mens te zijn, gewis tot ergernis van een geslacht dat te geestelijk is om natuurlijk te zijn en van een over gezond christendom.” Deze woordspeling gaat erg diep. Een soort geestelijk sarcasme. Wie oren heeft…….
Ook schrijft hij: “En gaarne beken ik, dat ik nog moet leren preken en dat ik ook niet schrijven kan. Toch doe ik alsof en alzo, opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou”.
En: “Uw buitenkerkelijke broeder roept u, vanuit zijn komkommerhof door de reten van zijn nachthut over de muur die ons nog scheidt, toe: “Nog vier maanden en dan komt de oogst. Want de landen zijn wit om te oogsten.” En: “Verstand, rede en overleg en vooral de gesprekken moeten zwijgen. Het gaat alleen om het snikken van de ziel.”

Er kwamen destijds bij bessien veel mensen om met haar over de “waarheid” te praten, maar met mij weigerde ze stelselmatig haar zielenroerselen te delen. Ik liet me namelijk inspireren door een veelheid aan teksten, beeldende kunst, mystici, poëzie etc. en daar wilde zij zelf niets van weten. Voor haar telde alleen de bijbel. Dat was de waarheid. Van kaft tot kaft.
Een sprekend voorbeeld daarvan dateert uit de week voordat mijn vader overleed. Ik was toen 28 en kon het niet goed handelen dat hij steeds meer afstand van mij leek te nemen.
Soms zongen hij en ik zachtjes: “Genade Gods, zo rijk en vrij, die poort staat open ook voor mij. Ook voor mij, ook voor mij, staat open ook voor mij”.
Verstandelijk begreep ik wel dat hij het nodig had om alles los te laten wat hem lief en dierbaar was, zodat hij rustig en in volle overgave die poort door kon om Thuisgehaald te worden. Maar mijn vader en ik hadden een hele sterke band en ik voelde me met hart en ziel met hem verbonden. Ik had het er erg moeilijk mee en van mijn extraverte moeder werd ik nogal onrustig dus ik besloot om even naar bessien toe te gaan.
Ze was blij verrast en schonk meteen koffie in. Maar ook bij haar merkte ik toen ineens eenzelfde soort onthechting als bij mijn stervende vader. Diep in mijn hart wist ik dat dit weleens de laatste keer zou kunnen zijn dat we hier op aarde bij elkaar waren. Bessien had een prekenboekje van ds. Rustige opengeslagen voor zich op tafel liggen. “Was je een preek aan het lezen?” vroeg ik. Ze antwoordde dat ze het wel probeerde, maar dat de letters steeds waziger werden. Ineens hoorde ik mezelf zeggen dat ik haar de preek wel voor wilde lezen en daar stemde ze tot mijn grote verbazing meteen mee in. Even later zat ze ontspannen in haar luie stoel met gesloten ogen naar me te luisteren.

Ik was het geloof der vaderen toen al vijftien jaar volledig ontgroeid, las deze preek voor het eerst en wist dus niet wat ik allemaal tegen zou kunnen komen qua tekst. We begonnen met het zingen van Psalm 25:3 en ik ging weer helemaal terug in de tijd: als vierjarige bij beabe op schoot, samen met bessien psalmen zingend op hele noten:
“Denk aan ’t vaderlijk meedogen,
Heer, waarop ik biddend pleit;
Milde handen, vriend’lijk ogen,
Zijn bij U van eeuwigheid.
Sla de zonden nimmer ga,
Die mijn jonkheid heeft bedreven,
Denk aan mij toch in gena,
Om Uw goedheid eer te geven.”

Daarna de schriftlezing: Hooglied 8: 1-10. Vervolgens het votum:
“O Heere, wij weten niet in of uit te gaan. Onder de stoel en op de stoel. Wij weten het niet. Amen.”

Deze tekst, nota bene als votum gebruikt, werkte zo enorm op mijn lachspieren dat ik er een slappe lach van kreeg die niet meer wilde stoppen. Ik schaamde me kapot voor bessien, was bang dat ze me goddeloos en oneerbiedig zou vinden, maar nee hoor, ze deed lodderig één oog open en constateerde heel droog: “Kind, dat zijn allemaal zenuwen. Neem maar gauw wat Arnica, dat doe ik ook altijd als ik het op mijn zenuwen krijg.”

Of het door de geruststellende reactie van bessien kwam of inderdaad door de Arnica weet ik niet, waarschijnlijk allebei, en even later was ik weer in staat om rustig de preek verder voor te lezen.
Hooglied 8: 1-10 is een niet mis te verstane, erotische tekst, maar bevindelijke dominees zijn gewoon om deze tekst te verklaren op geestelijke wijze. Zo ook ds. Rustige, die voorbeelden gebruikte zoals ik die ook kende uit de literatuur van mystici als Hans Andreus, Maria de Groot, Johannes van het Kruis, Hadewych, Ettie Hillesum, Rumi en Dag Hammarskjöld.
In de preek vertelt ds. Rustige bijvoorbeeld over een oud moedertje, die kan lezen noch schrijven, en die in de barre kou tegen haar uitgebrande kolenkachel aan zit. En dan zegt ze: “Mijn God, ik zal u eeuwig loven dat Gij mij ook geen eierkool gegund hebt dan alleen in Uw gunst.” Rumi dichtte over een soortgelijke zielentoestand: “In de oceaan van zuiverheid smolt ik als zout. Zekerheid, twijfel, geloof en ongeloof, niets bleef ervan over. In mijn hart verscheen een ster, waar alle zeven hemelen in opgingen…” En Dag Hammarskjöld: “Wanneer de minnaar zelf bevrijd is van afhankelijkheid van zijn geliefde, omdat zijn liefde gerijpt is tot een stralend licht, welks wezen bestaat uit de ontbinding van het eigen ik in licht – dan zal ook de geliefde voltooid worden omdat zij vrij wordt van haar minnaar.”
En ds. Rustige vraagt in zijn preek aan de gemeente: “Maar het gaat over de goddelijke Inwoner van binnen. Is Die nog wakker bij jullie? De oude dominee Schotel zei eens tegen mij: “Jochie, ik leg mijn hand wel eens op mijn hart en dan vraag ik wel eens: “Zou die goddelijke Inwoner er nog wel zijn? Dat was nu een oud beproefd kind van God. Maar waaraan kunt ge nu weten dat Hij er is? Omdat het zo onverwachts, zelfs in uw droom, kan gaan fluisteren en kan zingen….”
Dag Hammarskjöld zegt iets dergelijks: “God sterft niet uit als wij ophouden in God te geloven, maar wij houden op te leven als we niet meer verlicht worden door die dagelijkse, wondere ervaring van de levensbron, die alle begrip te boven gaat.”
De preek van ds. Rustige eindigde met de woorden: “En allen die in de hemel komen, die zijn in de hel geweest. Hallelujah. Amen. “

Mijn man en ik hadden drie maanden eerder in Konya, Turkije, het mausoleum bezocht van Mevlana (onze meester) Rumi. Hij is één van de belangrijkste personen uit de Perzische dichtkunst door zijn religieuze gedichten die God prijzen. Ik vertelde dat aan bessien en ook dat Rumi van mening was dat mensen die veel beproevingen moeten doorstaan een extra oog in hun hart krijgen, waardoor ze rechtstreeks de hemel in kunnen schouwen. Ik vond dat zelf een hele mooie zienswijze, maar merkte aan bessien dat ze het absoluut niet kon waarderen. “Je bent toch zelf ook een beproefd kind van God bessien. Alleen al doordat je je vader en moeder, al je broers en je zusje, je kostelijke man, je twee zonen en een kleinzoon hebt overleefd” probeerde ik opnieuw. Haar innerlijke rolluiken sloten zich meteen. Ik merkte echter een intens verlangen in mezelf naar diep, wezenlijk contact met haar en zocht naar een sleutel die haar innerlijke schatten zouden prijs geven.

Misschien was ze gevoelig voor de woorden van Professor Van der Schuit? Mijn vader had jarenlang eindeloos naar diens preek over de moordenaar aan het kruis geluisterd op de bandrecorder en sommige passages kon ik nog steeds wel dromen. Dus zei ik tegen bessien: “Ik heb een mooi voorbeeld voor je van een bekeerde vrouw die blijkbaar dwars door haar beproevingen heen met dat derde oog in de hemel kon schouwen. Het was de vrouw van Professor Van der Schuit. In zijn preek over de moordenaar aan het kruis zegt hij: “Met Mij aan de kruispaal, en met Mij in het Paradijs. Wat zal dat een overgang voor die moordenaar geweest zijn, toen hij daar van dat harde kruishout naar Gods paleizen ging. Ik denk er wel eens over, als ik bij sterfbedden heb gestaan, over dat moment van scheiden uit den tijd, en van het inblikken in de eeuwigheid. Ik zat aan het sterfbed van mijn vrouw. Ach, wat heb ik daar veel geleerd. Ook voor mijzelf, broeders en zusters. Wat wordt een mens klein, als het uur van sterven komt. Of je dan groot bent in de genade of klein bent in de genade; of je veel ervaren hebt, of minder ervaren hebt – je gaat in jezelf ten onder, als het sterven wordt. En toen dat ogenblik – ik zat er met mijn dochter bij, midden in de nacht – dat ogenblik. Ik zei tegen mijn dochter: ‘Kijk eens, dat scheidingsmoment. Dat ondeelbare moment. Het was een zware strijd geweest; het was buitengewoon stil geworden. Het was zoiets als na de storm, het suizen van een zachte wind. En ze had met gesloten ogen gelegen en opeens – gelijk wanneer wij iemand zien, die we lange tijd niet gezien hebben, en dan opeens slaan we het oog op: ‘Hé, ben jij het.’- zo was het ook bij haar. Opeens dat oog, opeens zo wijd open, dat ik zei: ‘Moeder, zie je den hemel?’ Ineens zo verrassend blij het oog open, en toen sloot ze haar ogen. En toen was ze niet meer. Ik denk: Wat is daar toch gebeurd? Wat heeft ze toch gezien? Want er gaat een wereld voor ons open, wanneer God de deuren van Zijn Paradijs voor ons gaat ontsluiten. Als die moordenaar daar op dat vloekhout zijn oog gaat opslaan naar die Paradijzen.”

Ik wilde heel graag over dit alles met haar van gedachten wisselen, maar ze liet me duidelijk niet toe. Ik werd intens boos en verdrietig op haar, want met anderen praatte ze wel vrijmoedig over “de waarheid” en met mij wilde ze er niet over spreken, evenals over het sterven van mijn vader. Pas veel later zag ik in dat het haar toen waarschijnlijk allemaal veel te dichtbij kwam. Ze was oud (92) en kwetsbaar, maar zo zag ik haar toen helemaal niet. Voor mij was ze nog steeds de sterke, dominante persoonlijkheid van weleer. Dus in plaats van het te laten voor wat het was probeerde ik toch nader tot haar te komen door uit te leggen dat Rumi de leidende figuur van de soefibeweging was in het middeleeuwse Konya. Hij filosofeerde met name over de voordelen van verdraagzaamheid. Bij zijn dood streden de joden, christenen en moslims van Konya om de eer hem naar zijn graf te mogen dragen. Zijn mausoleum is nog steeds een heilige plaats voor volgelingen en mijn man en ik waren diep onder de indruk van de devotie van hen. Rumi stichtte ook onder andere de orde van de dansende derwisjen, een soefi-orde van religieuze dansers en muzikanten. In de dans draaien zij om hun as, waarbij zij mediteren en de naam van God aanroepen teneinde met Hem te mogen versmelten. De mystieke eenheidsbeleving te smaken. Ik heb dat jaren later voor mijn ogen zien gebeuren en vond het zeer indrukwekkend.
Zodra ik echter het woord “dansen” in de mond had genomen was het meteen klaar voor haar. “Je moet nu maar weer naar huis gaan kind” besliste ze resoluut. Ze was een en al afweer. Ik was blijkbaar in al mijn goede bedoelingen veel te ver gegaan. “Hou me nog even vast dan en geef me een lekkere kus van je” smeekte ik. Dàt deed ze dan toch wel.
Maar in de deuropening staand kon ik het toch niet nalaten om te zeggen: “Onthou goed de woorden van ds. Rustige bessien voor als je zelf naar Huis gaat: “Allen die in de hemel komen, die zijn in de hel geweest. Hallelujah. Amen”.

IMG_20190806_115015

Met deze woorden vond ik mezelf terug in de ballenbak van Liesbeth Labeur. Vrolijk lachend de gele, rode en oranje ballen, symbolen voor hellevlammen en eeuwige verdoemenis, trotserend. De ballenbak verbeeld de keuze tussen de brede en de smalle weg, die volgens Liesbeth de kern vormt van het reformatorische gedachtengoed. Haar ballenbak symboliseert het einde van de brede weg. De weg naar het verderf dus. “En jij lag daar doodgemoedereerd, juichend met je armen omhoog, in de zin van: van de prins geen kwaad weten” appte mijn broer me een paar dagen later. Hij had me geen groter compliment kunnen geven. Lachend de brandstapel op. Mij jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan.
Speciaal voor de expositie bouwde Liesbeth een installatie waarbij ze zich baseerde op één van de reformatorische belijdenisgeschriften, namelijk de Heidelbergse Catechismus. Daaruit wordt kinderen al vanaf jonge leeftijd geleerd wat er gevraagd wordt in Zondag 3 Vraag 8: “Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?” En dan dien je als kind te antwoorden: “Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden”.

De hel? Dat was voor mij de Gereformeerde Gemeente met zijn predestinatieleer. (=Christelijk leerstuk dat het lot van mensen door God al vanaf de grondlegging der wereld is voorbeschikt, hetzij dat zij zijn uitverkoren tot eeuwig heil, hetzij veroordeeld tot eeuwige verdoemenis.) En dat is zeer verwarrend voor een sensitief meisje zoals ik was, want in de Heidelbergse Catechismus werd juist beweerd dat je door den Geest Gods wedergeboren kon worden.

Gelukkig werd ik in 1970 op mijn heel eigen wijze wedergeboren tijdens een doopdienst.  Vanaf mijn plek in de kerk had ik het zicht op een een enorm glas-in-loodraam met daarop afgebeeld het offer van Isaac. Zijn moeder Sarah had hem deze naam gegeven en heeft als betekenis “God deed me lachen, opdat iedereen die het hoort met mij zou lachen”. Maar de gemeenteleden om me heen zagen er niet uit als mensen die door God aan het lachen werden gemaakt. Op het veelkleurige raam is te zien dat Abraham al klaar staat met het mes in aanslag om zijn enige zoon te doden. Zelf ziet hij niet dat de in rood geklede engel boven hem eveneens klaar staat om hem juist daarvan te weerhouden. God weet genoeg over zijn offerbereidheid. Izak mag gespaard blijven en in plaats daarvan kan er een ram worden geofferd.

Nu had ik voor mijn verjaardagsgeld een paar maanden eerder het album “Songs from a room” gekocht van Leonard Cohen. Op één van de nummers bezingt hij het offer van Isaac:
“You who build these altars now
to sacrifice these children,
you must not do it anymore.
A scheme is not a vision
and you never have been tempted
by a demon or a god.
You who stand above them now,
your hatchets blunt and bloody,
you were not there before,
when I lay upon a mountain
and my father’s hand was trembling
with the beauty of the word.”

Tijdens die doop drong zich ineens een verschrikkelijke waarheid aan mij op: door de doop hoor je er bij. Beter gezegd: dan BEN je er bij. Dit onschuldige, pasgeboren kindje werd doelbewust geofferd aan een schema. Overgeleverd aan geloof in de predestinatieleer en haar ouders zeiden daar “ja” tegen. Deze gedachte, in combinatie met de muffige geur van andere lichamen, eau de cologne en pepermuntluchtjes had zo’n enorme impact op me dat ik letterlijk kotsmisselijk werd.

“Story Of Isaac”

The door it opened slowly,
my father he came in,
I was nine years old.
And he stood so tall above me,
his blue eyes they were shining
and his voice was very cold.
He said, “I’ve had a vision
and you know I’m strong and holy,
I must do what I’ve been told.”
So he started up the mountain,
I was running, he was walking,
and his axe was made of gold.
Well, the trees they got much smaller,
the lake a lady’s mirror,
we stopped to drink some wine.
Then he threw the bottle over.
Broke a minute later
and he put his hand on mine.
Thought I saw an eagle
but it might have been a vulture,
I never could decide.
Then my father built an altar,
he looked once behind his shoulder,
he knew I would not hide.

You who build these altars now
to sacrifice these children,
you must not do it anymore.
A scheme is not a vision
and you never have been tempted
by a demon or a god.
You who stand above them now,
your hatchets blunt and bloody,
you were not there before,
when I lay upon a mountain
and my father’s hand was trembling
with the beauty of the word.

And if you call me brother now,
forgive me if I inquire,
“Just according to whose plan?”
When it all comes down to dust
I will kill you if I must,
I will help you if I can.
When it all comes down to dust
I will help you if I must,
I will kill you if I can.
And mercy on our uniform,
man of peace or man of war,
the peacock spreads his fan.

In de week daarna kwam er een nieuwe gedachte bij me op die me in een staat bracht van een enorme innerlijke vrijheid die me sindsdien nauwelijks meer heeft verlaten: “Heeeee, wacht even, maar als ik toch al verdoemd ben en het Gods persoonlijke beslissing is dat ik niet ben uitverkoren, waarom zou ik dan nog langer naar deze kerk gaan? Dat heeft echt geen enkele zin. Mijn bestemming staat toch al vast, dus ik hoef me niet langer te laten offeren op het altaar van de predestinatieleer. Ik hoef me vanaf nu door geen enkele zogenaamde “autoriteit” meer te laten vertellen wat ik moet doen en laten. Ik hoef niet langer stenen voor brood te accepteren, een slang voor een vis. En bovenal kan ik me onmiddellijk ontdoen van de “vijf nieten”: “ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet en ik deug niet” van ds. Wilhelmus Schortinghuis, waarmee hij in 1700 duidelijk wilde maken dat een mens niets kan bijdragen aan zijn behoud. Net zo gemakkelijk wist ik ze te vervangen door mijn eigen, meest innerlijk weten: “Ik wil wel, ik kan wel, ik weet wel, ik heb wel en ik deug wel”. Want als ik wel behouden zal worden, als God dus voor mij is, wie zal dan tegen mij zijn? Nog steeds vind ik dit de meest gezonde daad die je kunt stellen in onderdrukkende, klein houdende, angst oproepende, ongezonde situaties. En sindsdien is mijn ochtendgebed Nina Simone’s “Feeling Good”.

IMG_20190806_114806

Uiteraard waren mijn ouders helemaal niet blij met deze “bekering”. Tot overmaat van ramp begon de stem van mijn puberziel ook nog provocerend te fluisteren: “Opent uwe mond staat er in psalm 81”. Dat was natuurlijk de duivel die me probeerde te verleiden, maar in plaats van mijn gehele wapenuitrusting aan te doen opende ik vanaf dat moment te pas en te onpas mijn mond en schreeuwde zo hard als ik kon: “Och Heere, neem mij maar weg.”

IMG_20190806_114015

Want wat voor zin had het nog, gezien in het licht van de eeuwigheid en de predestinatieleer, om volwassen te worden, lange reizen te maken, een baan te zoeken, mijn talenten te ontplooien, mijn soulmate te vinden?

Gelukkig nam de Heere me niet weg, maar er veranderde ineens wel heel veel in mijn voordeel. Mijn moeder kreeg last van alle overgangsklachten die je je maar kunt bedenken. Dat kwam niet bepaald ten goede aan haar fysieke en psychische gesteldheid, dus kochten mijn ouders een caravan en een jaarplaats op steeds weer een andere grote camping midden in de natuur waar we dan ieder weekend verbleven. Ze lazen dan in stilte voor zichzelf een preek, dus daar had ik verder geen last van en kon mijn eigen gang gaan. Mijn broer en schoonzusje verhuisden naar de Achterhoek en vielen weg als lichtende voorbeelden van hoe het eigenlijk wel zou moeten. En we kregen kerktelefoon. Mijn moeder had zulke ernstige rugklachten dat wij voorzien werden van een kerktelefoon, zodat zij thuis de diensten kon bijwonen en ’s zondags niet meer twee keer twee uur in de harde kerkbank hoefde te zitten. En zelf kon ik dan lekker boven in bed genieten van The Doors, Lou Reed en Pink Floyd. Liet als statement nog wel mijn lange haren heel kort knippen, maar kreeg daar meteen al spijt van. Ik miste mijn glanzende, lange, donkere bos krullen meer dan ik had verwacht.

Gelukkig de vrouw die haar eigen weg gaat,
die zich niet laat weerhouden

door de wetten van mensen,
verboden door heersers bedacht.

Zij kent haar weg als geen ander.
De Eeuwige legde hem uit.

Het doel staat haar helder voor ogen.
Niemand brengt haar daarvan af.

De vrouw is voor liefde geschapen.
Altijd wordt zij moeder, altijd.

Leven schenken is haar bestemming.
Zij koestert de kinderen, zij voedt hen,

zorgt voor die haar nodig hebben.
Haar familie is heel de mensheid,

niemand die daarbuiten valt.
Gelukkig de vrouw die alleen gaat,

zij schept een hechte gemeenschap.
Belangeloos geeft zij haar liefde,

gevoed door de Eerste, de Ene,
de Moeder van al wat leeft.

(Psalmen van een vrouw – Maria de Groot)

IMG_20190806_130216

Aansluitend aan de expo in het Museum Catharijneconvent bezochten mijn broer en ik het Centraal Museum. Het eerste kunstobject dat we daar tegenkwamen was een yoni-jurk, die door mijn broer onmiddellijk als zodanig herkend werd. Wat bij mij vervolgens in stilte leidde tot grote hilariteit. Want ik dacht daarbij meteen aan de woorden van onze bessien: “Kind, onthoud goed, het hele leven draait voornamelijk om het vrouwelijke medaillon”. Tegelijkertijd deed het kunstwerk me denken aan de tekst die ik een dag eerder op mijn blog had geplaatst over Maria Magdalena en de kleur rood. Daarvoor was ik geïnspireerd geraakt door een tekst van Margaret Starbird in haar boek “Bruid in ballingschap”:
“In de jaren na het schrijven van “De vrouw met de albasten kruik” ben ik verder op zoek gegaan naar het verhaal van Maria Magdalena en heb ik met name gekeken naar de wijze waarop ze wordt afgebeeld in de kunst en de mondelinge overlevering. Daarbij heb ik informatie uit een grote verscheidenheid aan bronnen vergaard en mij verheugd in hun krachtige boodschap van vrijheid en veelomvattendheid. Op deze reis werd mij dikwijls gevraagd: “Wat hebben we verloren toen we de Maria, die in de Bijbel als Maria Magdalena wordt aangeduid, kwijtraakten?“ Het antwoord op die vraag luidt kort en bondig: we hebben de kleur rood verloren – het diep karmozijnrood van de hartstocht, van de bloedmysterieën, van compassie en van eros in de Jungiaanse zin van verbondenheid. En met de verbanning van Maria Magdalena uit ons bewustzijn werden we op tragische wijze afgesneden van de verfrissende, vruchtbaar makende wateren van intuïtie en mystiek, van de vrouwelijke vormen van weten, van de diepe wijsheid van het lichaam en haar zintuigen en van onze nauwe verwantschap en relatie met al wat leeft. Deze aspecten van het heilig-vrouwelijke waren oorspronkelijk belichaamd in de Maria die de geliefde metgezellin van Jezus was en die onze totale mensheid vertegenwoordigde in een intieme verbintenis met het Goddelijk Woord.”

Dat is precies wat ik in mijn eigen leven zo goed mogelijk in evenwicht heb gebracht: zwarte kousen als basis, maar met de kleur rood als lichte, vreugdevolle, levendige werkelijkheid. Mannelijke en vrouwelijke eigenschappen mooi in balans.

IMG_20190806_112829
Over kleuren en kleren gesproken: ook op de expo over de biblebelt komt dit thema aan de orde. Er hangen verschillende foto’s van vrouwen in hun daagse kloffie en op hun zondags. Ook is er een item waarop wordt aangegeven dat vrouwelijke leerlingen van reformatorische scholen begeleiding krijgen van een kledingcoach als ze te korte rokken dragen naar de mening van de leraren. “Het is maar goed dat er destijds in de Gereformeerde Gemeente nog geen kledingcoaches bestonden” giechelde ik richting mijn broer. Want eind zestiger jaren was het heel normaal om in zo kort mogelijke rokjes rond te lopen. En daar ging ik dus ook mee naar de kerk. Geen kledingcoach die me daar destijds op aansprak 😉

Geestig was ook dat we allebei goed bleken te hebben nagedacht over de kleuren die we naar de expositie zouden dragen. Mijn broer droeg een lichtblauwe broek en “pale green” suède schoenen die daar prachtig bij kleurden. Spontaan vertelde hij toch maar te hebben gekozen voor een zwart shirt erbij, om “in stijl te blijven”. Zelf droeg ik op deze zonnige dag bewust een blauwe linnen jurk omdat ik weet dat mijn broer heel veel van de kleur lapis lazuli houdt.
Bovendien is het ook de kleur van de hemel, want:

“Daar is de hemel zie ik nu
Daar is de open hemel
Die op het beste van mij wacht.
Achter blijven de ouders,
De vrienden, al hun raad…..
Het gedroomde speelgoed in de kindertijd
de boom van de wensen,
de avond op de bodem van de vijver,
het park van de eerste kus….
Ik zie het allemaal op afstand
als een lichaam dat ontwaakt
in de diepte van een landschap
ik zie het alsof het niet waar is.
Wij zijn gekomen naar het leven
om te scheiden van alles wat ons dierbaar is,
van dat wat ons gegeven werd,
van alle mensen die ons lief zijn.
Maar juist daar is de hemel!”

(Heimwee – Alberto Blanco)

lapis lazuli hart

3 gedachten over “Gelukkig de vrouw die haar eigen weg gaat. Ervaringen tijdens de expo “bij ons in de Biblebelt”.

  1. Gelukkig was mijn rooms-katholieke ervaring met godsdienst een stuk gemakkelijker…Maar dat rebelse tegen de patriarchie en het dogmatische heeft er bij mij ook altijd ingezeten…

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s